nl / en
 

Herinrichting Centraal Museum, 2011-2016

Toen het Centraal Museum Utrecht eind 2009 bureau Soda benaderde met de vraag een oplossing te bedenken voor de onduidelijke museumrouting en verdwalende bezoekers, werd al snel duidelijk dat de oplossing niet bestond uit het aanbrengen van een nieuwe bewegwijzering. Samen met het museum werd een analyse gemaakt > zie 'Advies'.

De analyse leidde tot een bidboek dat als startpunt diende voor de herinrichting van het Centraal Museum. Het ontwerp en de realisatie van de herinrichting werd gedaan door SODA+, een samenwerking van Jorrit Noyons en Ronald Buïel van Soda met de architecten Gabri Klarenbeek en Hagen Zeisberg.

Ontwerp

Het Centraal Museum is gehuisvest in een complex van verschillende bouwdelen. Deze verschillen in oorspronkelijke functie: een voormalig Middeleeuws klooster, een kapel, een cavaleriestal, een kindertehuis en een museum. Maar ook zijn ze verschillend in stijl en periode van bouwen, van 1420 tot 1998. Gezamenlijk vertellen zij de geschiedenis van Utrecht vanaf de Middeleeuwen.

Elk bouwdeel heeft een eigen identiteit, een eigen geschiedenis en een eigen relatie met de omgeving en de stad Utrecht. Het op zoek gaan naar de context per bouwdeel, deze karakteristieken versterken en uitvergroten, is een van de uitgangspunten van het ontwerp geweest. Daarnaast zijn verbindingen tussen de gebouwen benadrukt en is de zichtrelatie met de tuin versterkt. Bovendien zijn omgeving, historie en collectie geïntegreerd in het ontwerp. De binnentuin is daarin het hart van het complex en van de bezoekerservaring geworden. De tuin functioneert als oriëntatiepunt en verbindend element tussen de bouwdelen, als ook met de omgeving van het museum. Er zijn nieuwe doorzichten ontworpen en alle bouwdelen zijn teruggebracht naar hun oorspronkelijk maaiveld.

 

Entree, kapel en garderobe

De entree van het museum is teruggebracht naar de Agnietenstraat. De ligging tegenover het Nijntjemuseum verbetert de verbinding tussen deze onderdelen van het museum. In de entreehal is de lift verplaatst naar het trappenhuis. Hierdoor is een helder kruispunt ontstaan waaraan de gevels van de voormalige kapel van het Agnietenklooster, de 1920 vleugel en de Refter zich manifesteren. De nieuwe open ruimte, van 12 meter hoog, functioneert niet alleen als centraal oriëntatiepunt, maar ook als een nieuwe plek voor het tonen van kunst. De bestaande balkons zijn met eikenhout bekleed. De hardstenen vloer sluit aan bij het niveau en de materialisering van de kapel. En er is een extra doorgang naar de voormalige kapel gemaakt om de bezoeker bij binnenkomst naar de nieuwe winkel en kaartverkoop te leiden.

 
 

De ranke wenteltrap die de beneden- en bovenkapel met elkaar verbindt, is in lijn met de gotische ‘naar de hemel reikende’ bouwstijl. Het technisch vernuft, dat een stuttende constructie overbodig maakt, zit in de toepassing van een loodzwaar verzonken contragewicht.

 

In de als informatiecentrum ingerichte bovenkapel is op een akoustisch dempende achterwand een Utrechts draakje geprint: alle boeken die door monninken in de meddeleeuwen in Utrecht werden gemaakt, waren voorzien van een dergelijk draakje. 

 

De afbeelding van Agnes in het hoge raamvlak is gemaakt door Freudenthal/Verhagen.

 

In de aluminium hellingbaan in de entree zijn 3.693 namen uitgespaard van kunstenaars wier werk is opgenomen in de collectie van het Centraal Museum.

 

In vitrines in de garderobe worden stukken uit de mode- en kostuumcollectie getoond. 

Routing en expositieruimtes

Vanwege het doolhofachtige karakter van het museum konden bezoekers vaak hun weg niet vinden en verdwaalden zij voortdurend. Door enkele bouwkundige ingrepen - zoals het verplaatsen van de entree naar de oorspronkelijke positie tegenover het Nijntjemuseum aan de Agnietenstraat, en het verplaatsen van de lift uit de entreehal - is er een vanzelfsprekend oriëntatiepunt ontstaan.

 

Vanuit de entreehal vertrekken nu twee circulaire hoofdroutes door het complex waardoor de routing inzichtelijk en leesbaar is geworden.

 
 

Een andere belangrijke ingreep is een nieuwe volglazen brug, die de middeleeuwse vleugel verbindt met de expositieruimtes in de Stallen. Met deze overbrugging is korte metten gemaakt met de benauwde en verwarrende onderdoorgang langs het ‘Utrechtse Schip’. Er is een nieuwe standplaats gecreëerd die gelegenheid biedt tot oriëntatie en vooruitkijken. In één oogopslag wordt duidelijk dat het gebouw uit meerdere aan elkaar gekoppelde delen bestaat. 

 

Deze ervaring herhaalt zich in het centrale deel van de Stallen. De voormalige poorten zijn geopend waardoor er weer zicht is op tuin, Singel en kerk. En daarna nog eens in het nieuwe museumcafé aan het Nicolaikerkhof. Het resultaat van deze ingrepen is dat de tuin als centraal oriëntatiepunt functioneert en houvast geeft aan de dwalende bezoeker. 

 

Daarnaast zijn bijna alle tentoonstellingsruimtes gerenoveerd, vergroot en voorzien van nieuwe verlichting.

 

Ook is er nieuwe tentoonstellingsruimte gecreëerd op de zolderetage van de 1920 vleugel en in de refter van de Middeleeuwse vleugel.

Café Centraal

Het museumcafe bevindt zich op de plaats van de voormalige entree, in de moderne aanbouw uit 1998 door architect Stephane Beel. Om de ruimtelijkheid van het gebouw te optimaliseren is de tussenvloer verwijderd. De begane grond vloer is omhooggebracht naar tuinniveau, wat zorgt voor een directe verbinding met de binnentuin. In het glas zijn PV-cellen aangebracht met een tweeledige functie: ze produceren elektriciteit en filteren het invallende zonlicht.

 
 

De lampen in Café Centraal zijn afkomstig uit ‘De Utrecht’, het hoofdgebouw van Levensverzekering Maatschappij ‘Utrecht’ van architect Jan Verheul (1902). 'De Utrecht' was een fraai voorbeeld van Jugendstil en ging in 1974 tegen de vlakte ten behoeve van de bouw van Hoog Catharijne. De sloop van 'De Utrecht' staat voor veel Utrechters symbool voor het ‘trauma’ dat is aangericht met de sloop van het oude stadscentrum. De herbruikte lampen maken deel uit van de museumcollectie. Als een 'formatie van ruimteschepen' zijn ze horizontaal aan het plafond gehangen.

Tuinzaal

 

In de voormalige werkplaats, direct toegankelijk vanuit de Nicolaasdwarsstraat, zijn twee comfortabele zalen gerealiseerd welke geschikt zijn voor lezingen, colleges en openingen.

 

Doordat de Tuinzaal in de ‘buitenschil’ van het museum is geplaatst, is het nu ook mogelijk om de ruimtes te exploiteren buiten de reguliere openingstijden.

 

De militaire achtergrond van het gebouw als caveleriestal is gebruikt als inspiratiebron voor het ontwerp.

 

De prints op de tafelbladen zijn van stofsamples van Benno Premsela: proeven voor tafellinnen dat hij in de jaren 50 voor de Bijenkorf ontwierp. Ook deze afkomstig uit de collectie.

Tuin

De ingrijpende verbouwing maakte een nieuw ontwerp van de tuin noodzakelijk. Voorheen bestond de tuin uit verschillende delen die niet automatisch uitnodigend of toegankelijk waren. Het Centraal Museum en de Nikolaikerk wilden gezamenlijk de nieuwe tuin kunnen gebruiken. Dit betekent dat de tuin bestand moet zijn tegen openingen, concerten, recreërende museumbezoekers etc. Binnen het complex van museum en kerk ligt nu een open, groene ruimte waarin beplantingsvakken en bomen zodaig zijn gepositioneerd dat zij een bijdrage leveren aan de beleving van de verschillende tuindelen en de aangrenzende bebouwing. Door middel van drie beplantingslagen is geprobeerd de eigenheid van de museumtuin voor bezoekers tastbaar te maken. De onderste laag vormt het gazon. Dit kamerbrede groene tapijt ligt van plint tot plint en verbindt de gebouwen onderling, maakt het tot een geheel. In het verleden, toen het hele gebied rond de kerk als begraafplaats diende, bestond dit uit een grasvlakte bepland met bomen met daarbinnen een allegorie aan graven gerangschikt in de lengte van de kerk. 

 
 

De middelste laag vormen de borders met vaste planten. Zij liggen op verschillende plaatsen geschakeld aan de gebouwen. De bovenste laag vormen de bomen. Zij begrenzen en geven vorm aan de binnenruimte van de museumtuin. Hun groeiwijze (elegant en lieflijk), bloemvorm en kleur (verfijnd en over het algemeen wit) en bloemgeur maken de tuinruimte tastbaar voor verschillende zintuigen. De nieuw aangeplante bomen dragen, voor zover mogelijk was, bij aan hetgeen voor een lusthoftuin of hortus conclusus gewenst was. Ze zijn uitgekozen op lieflijke - witte - bloesem, bloemgeur en het dragen van vruchten.

 

Planten die daadwerkelijk in middeleeuwse kloostertuinen gestaan hebben, stonden dicht bij de natuur, hadden vaak een geringe esthetische waarde en werden punctueel verzorgd. Ze zijn echter moeilijk in te passen in een moderne tuin en daarom is voor de beplanting van de huidige borders gekozen voor planten met duidelijke iconografische ‘roots’ en/of een habitat die aansluit bij de christelijke symboliek.